Ryahel Jaconsdottir Half-elf - Proloog
- Details
- Categorie: verhalen
- Aangemaakt op zaterdag, 14 augustus 2010 15:32
Mijn naam is Ryahel Jaconsdottir en dit is mijn verhaal. Het is tot op heden geen mooi verhaal en of het deel dat nog niet geschreven is in de boeken van lot mooi gaat worden weet ik niet. Ik ben bang dat het ongeschreven deel gaat zijn als het geschreven deel; deprimerend en somber.
Hoe mijn verdoemde bestaan begonnen is weet ik eerlijk gezegd niet. Ja, het begon zoals elk levensverhaal begint, met de geboorte van een kind uit een moeder maar over hoe die geboorte tot stand kwam weet ik bitter weinig. Mijn moeder heeft me er nooit iets over willen vertellen en de man wiens naam Jacon is en wie ik jarenlang aansprak met vader wist er weinig van.
Er bestond geen twijfel over dat deze Jacon mijn vader niet was, ik leek in niets op hem. Mijn gelaat is bleek , zelfs in de zomer als elk ander uit ons dorp gebronsd is door de zon die op zee ongenadig kan zijn. Mijn ogen hebben de kleur van gras in de lente, in tegenstelling tot het grijs van elk lid van de groep mensen die ik lang als familie heb beschouwd. En mijn haar heeft niet de kleur van koren in de zomer, vlak voor oogsttijd, mijn haar heeft de kleur van de nacht, zwart dat blauw oplicht als de zon het raakt. Maar het meest voor zich spreken mijn oren; ze zijn puntig als de oren van de elfen uit landen ver van ons dorp. Heel ver van ons dorp...
Over de aard van mijn herkomst zijn weinig twijfels mogelijk, maar de oorzaak, het hoe en waarom, dat is gehuld in een dikke mist. Mijn vader, Jacon, heeft mij het weinige dat hij wist verteld, maar ook tegen hem wilde mijn moeder niets vertellen. Naar mijn mening was dat niet eerlijk; hij huwde haar op de dag dat zij elkaar ontmoeten om haar te behoeden voor de schande die over haar zou komen na mijn geboorte. Mijn moeder ging niet als maagd het huwelijk is en haar jurk bolde al licht op toen zij en Jacon elkaar eeuwige trouw beloofden. Jacon was een goede man. Maar ik loop vooruit op de zaken, te graag wil ik mijn verhaal vastleggen opdat het mij misschien kan helpen degene te vinden die mij mijn uiterlijk heeft gegeven.
Jacon reisde af naar het zuiden, naar het land waar de zomers warm, de winter mild en de wouden uitgestrekt zijn. Hij had gedroogde vis op zijn kar, en mooie schelpen en meer zaken die in de noordelijke dorpen aan de kust zo normaal zijn. Deze zaken zou hij verhandelen en later terug keren met zijn kar vol zachte huiden, ingemaakt fruit en meer zaken die veel voorkomen in de woudlanden. Maar op zijn weg terug zou hij dit keer nog iets extra's meenemen; zijn bruid.
Op de dag dat hij aankwam in de stad bracht hij als altijd zijn spullen had onder bij de herberg waar hij elk jaar verbleef tijdens zijn grote reis naar de markt. En net als elk jaar genoot hij van het eten in de herberg, malse reebout, delicater en milder van smaak dan die van thuis. Na de maaltijd maakte hij een wandeling door de stad en bezocht vrienden die hij op eerdere bezoeken had leren kennen. Bij deze vrienden ontmoette hij mijn moeder. Ze was radeloos en in tranen en de rest van haar leven zou zij in armoe en schande door gaan brengen. Jacons vrienden konden (of wilden) haar niet helpen, enkel troosten. Jacon kon wel helpen. Bij het zien van deze schitterende vrouw in tranen was hij op slag verliefd geworden. En dus huwde hij haar diezelfde avond, de priesters in de tempel waren ze graag van dienst want mijn moeder was een bijzonder lieve en goede vrouw die helaas het slachtoffer was geworden van haar hart. Maar er werd geen woord gerept over wie de veroorzaker was van de situatie en er werd ook niet naar gevraagd.
Na een paar zeer geslaagde marktdagen keerde Jacon dus terug naar het dorp, samen met zijn bruid. Hij bleef niet zo lang in de stad als hij normaal deed, mijn moeder wilde er weg, weg van haar schande en weg van de blikken die impliceerden veel meer te weten. Jacon stelde geen vragen want hij zag de pijn in haar ogen, hij troostte haar enkel, kocht een warme mantel voor haar voor onderweg en laadde zijn wagen in zodra de handel gedaan was.
In het dorp werd met verbazing en verbijstering gereageerd op deze plotselinge nieuwkomer, maar de zeelucht deed mijn moeder goed en haar vriendelijke karakter maakte haar bijzonder populair in het gehele dorp. De zwelling van haar buik verklaarde alles zonder woorden, maar woorden waren ook niet nodig. Zij was Jacons vrouw en dat was genoeg. Tot de dag dat ik geboren werd...
Elven-zwangerschappen verlopen anders dan mensen-zwangerschappen, zelfs die van een half-elf in een mens geeft een meer elf-achtige dan menselijke zwangerschap. Dus toen ruim anderhalf jaar nadat Jacon zijn vrouw thuisbracht mijn geboorte zich aankondigde was er onder de dorpelingen geen twijfel wie de vader was. Die zwelling van ruim een jaar eerder zou het goede leven wel zijn geweest. Maar mijn moeder wist beter, en Jacon had inmiddels wel een idee had van wat mijn echte vader was.
De vroedvrouwen lieten mijn moeder achter in haar kraambed nadat zij een blik op mij hadden geworpen. De vrouwen van het dorp overwogen om mijn ouders te verbannen. En de mannen vertelden Jacon dat zij mijn moeder en mij best wilden wegbrengen, de zee op, om nooit meer terug te keren. Elven zijn gevaarlijk volk, verraderlijk en niet te vertrouwen. Keer je om en je hebt een fraai versierde dolk in je rug, dat was het enige dat mijn dorpsgenoten wisten van elven en meer hoefden ze niet te weten. Er woonden geen elven in deze harde, gure streken.
Maar Jacon wilde er niet van weten. Als eigenaar van 3 vissersboten in het dorp, en niet te vergeten de enige grote kar en de paarden om die gevuld naar de markt te trekken genoot hij genoeg aanzien om iedereen te overtuigen dat het allemaal minder erg was dat iedereen dacht. Waren er niet genoeg kinderen in het dorp geboren binnen 5 maanden na het huwelijk? En ja, er waren ook wel kinderen van wie de identiteit van de vader een publiek geheim was. Bij zijn dochter was het alleen meer zichtbaar en ik was net geboren. Hoe kon een pasgeboren baby al verraderlijk als een elf zijn? En als dit pasgeboren kind met deze gave huid en schitterende ogen opgevoed zou worden door mensen, dan zou het verraderlijk karakter van de elven nooit de kop kunnen opsteken.
En dus werd mijn leven gespaard. Ik zou toch niet lang leven zei men, want elven kunnen niet tegen de bittere winters die de noordelijke landen maanden in hun greep houden. Maar ik bleef wel leven, tot groot ongenoegen van velen. Mijn naam Ryahel heb ik aan mijn moeder te danken, ze gaf me een naam die klonk als een elvennaam. Zo hoefde ik later als ik groot zou zijn en mijn eigen weg zou gaan nooit uit te leggen aan mensen hoe ik aan mijn naam kwam. Jaconsdottir kreeg ik van mijn vader Jacon, zoals de gewoonte is in mijn dorp.
Ik groeide op met het tempo van een elf, tot groot vermaak van mijn ouders. Mijn vader (Jacon dus) had reeds 2 kinderen en zoals alle ouders verzuchtte ook hij dat ze te snel groot werden. Dat was bij mij niet het geval, ik begon pas te lopen toen ik ruim 2 jaar oud was en mijn zusje van anderhalf al groter was dan ik. Terwijl mijn zusjes (het waren er inmiddels al meer geworden) druk bezig waren met opgroeien nam ik er de tijd voor. Mijn ouders waren vol begrip en mijn moeder leek veel te weten over opgroeiden elven.
De kinderen in het dorp snapten er een stuk minder van en hun treiterijen werden harder naarmate zij ouder werden. Ik werd ook ouder, maar niet zo snel groot en sterk als de anderen. En dus bracht ik een groot deel van mijn kindertijd rennend door, vluchtend voor de slagen van hun harde kleine vuisten. Ik was te jong in elvenjaren om te begrijpen dat ik anders was. Maar ik rende als een hinde op de vlucht, snel als de wind en soepel als de stroom van een rivier en zo kon ik altijd uit hun handen blijven. Sommige kinderen waagden het om stenen naar me te gooien, of takjes, maar mijn blik was scherper dan die van hun en mijn worp was gericht en altijd raak. En zo won ik door de tijd toch iets van respect, of was het angst. Het maakt niet uit.
Tegen de tijd dat mijn jongere zusjes (mijn ouders zaten niet stil) hun huwelijk aan kondigden was ik druk bezig met mijn pubertijd. En die is voor elvenmeisjes net zo'n ramp als voor mensenmeisjes. Mijn moeder weigerde voor mij een echtgenoot uit te zoeken en verbood mijn vader dat te doen. Een elf is pas oud genoeg voor het huwelijk als zij de 40 ruim gepasseerd is. En dus bleef ik bij mijn ouders wonen en zorgde voor hen toen zij te oud waren om voor zichzelf te zorgen. Een half-elf als kind hebben heeft zo zijn voordelen. En toen hun tijd daar kwam, slechts weken na elkaar tijdens een bijzonder strenge winter, hakte ik het hout voor hun vuurstapel en zorgde dat zij de eer kregen die zij verdienden. Er werd geen woord gerept over mijn herkomst. Na die winter besprak ik met mijn broers en zusters de verdeling van het bezit van mijn ouders, of beter gezegd: ik eiste een paard en een buidel met geld en liet hun onderling de ruzie afhandelen die gebruikelijk schijnt te zijn bij het verdelen van een erfenis.
En zo vertrok ik, het dorp waar ik opgroeide liet ik achter me en liet me door het paard brengen waar hij naartoe wilde. Het paard kende de weg naar de stad waar mijn levensverhaal begon en daar ben ik nu. In de herberg waar mijn vader, of beter gezegd de man die ik vader noemde, elk jaar logeerde. En hier in mijn kamer liet ik mijn verhaal opschrijven door een schrijver die mij wist te vertellen dat alle elvenkinderen kunnen schrijven. Hij kent meer woorden van de elventaal dan ik want ik ken enkel mijn naam, tranen van jade; Ryahel.
Mijn naam is Ryahel Jaconsdottir en dit is mijn verhaal.
over Diona
iets over Diona...
