logotype
head-05.jpg

Vanuit het niets....

Dromerig zweefde ze, niet wetend hoe lang al. Misschien pas net, toen haar gedachten begonnen, maar misschien al een hele lange tijd. Eeuwen, het woord eeuwen stroomde haar gedachten binnen.... of decenia, of jaren, maanden, weken, dagen....
Het concept tijd werd wakker in haar hoofd.

Ze bedacht ik ben een zij, een vrouw en ze besefte dat er nog een ander moest zijn dan een vrouw, maar ze wist niet wat dat was. Nog niet, dat kwam wel, ze had de tijd want de tijd bestond nu in haar hoofd.

Ze werd zich bewust van haar lichaam, merkte dat ze kon bewegen en ze opende haar ogen. Om zich heen zag ze uitsluitend wit maar ze wist dat ze zag en dat het wit was. Ze bewoog en bekeek haar handen. Ze waren een andere kleur dan het heldere wit om haar heen, room-kleurig misschien? Ze vroeg zich af wat dat room dan zou zijn en of het deze kleur zou hebben.

Ze zweefde in het wit en raakte met haar vingers de huid van haar armen aan, voelde haar haar op haar hoofd. Het haar was lang en donker gekleurd en het zweefde om haar heen.

Ze begon te praten "ben ik alleen?" vroeg ze en verbaasde zich over de klank van haar stem. Ze leek alleen te zijn maar dat was goed want als zij er was zouden er ook anderen zijn en die zouden misschien vanzelf wel komen. Ze had de tijd.

Ineens bedacht ze dat ze benen en voeten had, dat ze daarmee kon lopen maar dat dat niet kon als ze aan het zweven was. Ze werd zich bewust van het bestaan van onder en boven. ze liet haar voeten naar beneden zweven en bedacht dat ze zou kunnen staan in het wit.

En daar stond ze, de grond bestond nu. Wit, net als alles om haar heen, helder licht wit zonder schaduwen en zonder ander leven. Omringd door een onmetelijke hoeveelheid wit begon ze te rennen...

Ze rende tot ze ineens iets anders dan anders voelde. Haar benen voelden anders, en ze voelde pijn in haar zij. Het woord 'vermoeid' kroop in haar gedachten. Ze had gerend en daar was ze moe van geworden, maar nu wist ze niet wat ze moest doen.

Ze ging zitten op de witte grond die nog altijd vlak en glad en zonder verandering was. Ze keek om zich heen en bedacht dat ze helemaal niet kon zien dat ze gerend had aangezien ze enkel wit kon zien en meer niet. Waarom zou je rennen als je niet ergens kon komen waar het anders was? vroeg ze zich af.

De wereld om haar heen, zo helder en wit en kaal en niet warm of koud en totaal zonder gevoel maakte haar ineens... 'verdrietig' was het woord dat in haar hoofd ontstond.
Ineens werd een beeld in haar hoofd wakker, en ze stond weer op. Ze keek om zich heen naar een geschikte plek maar geen enkele plek in al dat wit leek meer of minder geschikt dat de andere plek. En dus ging ze weer zitten en begon daar waar ze zat.

Ze legde haar handen op de witte vloer en dwong de vloer een stukje omhoog. Het gehoorzaamde en liet zich door haar handen vormen. Een stronkje kwam op en zonder hulp van haar handen groeide er een boom. Een witte boom met een witte bast en witte bladeren en witte bloesems. Een boom die geen schaduw wierp op al het wit om hem heen.

Ze voelde nog steeds verdriet om al het wit om haar heen, en een traan liep over haar wang. Ze raakte hem aan en bekeek de vochtige plek op haar wijsvinger. Ze drukte, zonder te weten waarom, de traan tegen de boomstam, en de natte plek kleurde bruin. Hij spreidde zich uit en al snel was de boomstam bruin, de bladeren groen en de bloesem roze.

En daar stond de eerste boom naast de eerste vrouw in een lege, witte wereld.
een wereld nog steeds zonder schaduw, zonder wind, zonder leven anders dan de boom en de vrouw. Met enkel het geluid dat de vrouw maakte, ze riep zo hard ze kon
"Ben ik alleen?"

Vanuit het onmetelijke wit om haar heen kwam geen antwoord, de kilheid van alles om haan heen overviel haar. Vanuit het diepst van haar wezen voelde ze de behoefte aan een antwoord. Ze wilde niet meer alleen zijn, ze kon niet meer alleen zijn.

Vanuit haar ooghoek zag ze een beweging, de draaide haar hoofd en zag een blad van de boom naar beneden dwarrelen. De kalme beweging bracht wat troost. Ineens besefte ze dat de boom, net als zij leefde! Niet zoals zij, de boom leefde anders. Maar het was desalniettemin leven. Ze haalde diep adem, een snik ontsnapte uit haar keel.
Ze wenste meer voor de boom, niet enkel staan en een enkel blad laten vallen. Er zou toch meer moeten kunnen zijn...

Ze liet zich met haar rug tegen de stam zakken tot ze op de grond zat. Ze sprak tegen de boom en zichzelf. "ik heb een stem en kan lopen en rennen en jij hebt niets. Dat klopt niet, jij moet ook iets hebben. Een eigen geluid hoor je te hebben."

Ze voelde ineens iets langs haar gezicht glijden, verschrikt stond ze op. De stam van de boom schuurde tegen haar rug, de stam was hard en ruw. Wat langs haar gezicht was gegaan was zacht en soepel. Ze keek om zich heen maar zag niets. Weer gleed er iets onzichtbaars langs haar heen, het gleed langs haar hele lichaam, tilde haar haar zachtjes op. Het gleed ook door de takken van de boom en deed de bladeren ruisen. Wind was het woord dat ontstond in haar gedachten. Dit was de wind en de wind was de stem van de boom geworden. Een zachte aanraking op haar huid en ze voelde zich niet meer alleen.

Ze ging liggen aan de voet van de boom, de bladeren ruisten met hun zachte stemmen een fluisteren lied voor haar en een bries, niet koud en niet warm, omhelsde haar.
En zo viel de eerste vrouw in slaap onder de eerste boom omringd door de eerste wind.

Een koele bries wekte haar en kalm deed ze haar ogen open. Het wit om haar heen was nog net zo wit en licht al voor ze ging slapen. Ze draaide zich op haar rug op de witte grond en bedacht dat de grond helemaal niet fijn aanvoelde. Te koud en te glad en te hard. Ze lag op haar rug naar boven te kijken en zag tussen de bruine takken, de groene bladeren en de roze bloesem naar het wit erboven.

Ineens viel het haar op dat niet alle bloesem meer roze was. Ook niet elk blad was nog groen. Hier en daar waren blaadjes en bloesems bruinig aan het worden. Ze stond op, reikte omhoog maar kon er niet bij. Ze keek peinzend om zich heen. Een aantal bruine blaadjes lagen op de grond. Ze raapte er een op en het blad voelde droog aan, het verkruimelde ni haar vingers. De groede blaadjes boven haar leken helemaal niet droog. Alsof hij antwoord wilde geven op haar vraag viel een groen blad naar beneden. Ze rende er naartoe en raapte het op. Het was inderdaad niet droog.

Ze keek beter naar boven, bekeek de bladeren echt en zag dat er veel groene bladeren lichtjes geel aan het verkleuren waren. Het woord 'water' vormde zich in haar hoofd, ze wist dat het moest zijn als tranen, maar dan met meer, veel meer. Maar ze had geen water en ze besefte dat zonder water de boom zou uitdrogen en stoppen met bestaan.

Ze had de boom gemaakt, en ze had hem groen gemaakt, misschien kon ze water maken. De vrouw knielde en sloot haar ogen en dacht aan water. Hoe water was en er uit moest zien. Ze maakte golven op de witte grond, bracht er structuur in. Maar hoe ze ook haar best deed, het werd geen water.

Uiteindelijk ging ze uitgeput tegen de stam van de boom zitten, de wind streek langs haar en bracht verkoeling. Ze voelde aan haar hoofd, haar hoofd was nat. Alsof er tranen uit haar haar waren gevloeid. Ze herinnerde zich hoe de boom kleurde door een traan en veegde het vocht van haar hoofd op de grond. En ja, er verscheen kleur, maar geen water.
De kleur groen groeide onder haar vingers, breidde zich uit en als snel was zo ver als het oog reikte de grond bedekt met groen als de boombladeren. De vrouw wat in het gras tegen de boomstam aan en voelde zich verslagen. Ook het gras zou water nodig hebben en nog steeds was er geen water.

Ze voelde tranen van teleurstelling opwellen, aan haar ogen ontsnappen en langs haar wangen lopen. Het gevoel was bijna troostend, als een zachte aanraking op haar wang. De traan en de wind streelden haar gezicht. Moedeloos keek de vrouw naar boven en de wind streek langs haar tranen, steeg op en kleurde het wit boven het groen met een heldere kleur blauw.

Maar niet al het wit werd blauw, witte 'wolken' (was het woord dat in haar hoofd zijn weg vond) hingen tussen haar en het blauw in. Ze kleurden grijzig en begonnen te huilen. Dikke zoete tranen vielen naar beneden, op de boom en het gras en de vrouw. En nog steeds huilde de vrouw, maar nu van blijdschap want de boom en het gras zouden blijven bestaan.

De regen duwde het gras soms naar beneden, waardoor andere delen van de grond omhoog kwamen en de grond werd glooiend, een landschap ontstond en de vrouw voelde zich er thuis.

Toen de regen gestopt was was de vrouw uitgeput maar gelukkig. Ze ging weer liggen onder de boom, op het gras dat niet zo koud en glad en hard was als de witte grond was geweest en al snel viel ze in een diepe slaap.